dinsdag 11 maart 2014

Lente in de Lot



Steek ik vanochtend de neus buiten de deur en ruikt het nu al naar hooien – de buurman greep onze tweede zomerweek, hoewel het nog maar half maart was, aan om eens lekker het gras te gaan omploegen. Geuren zijn ook iets magisch. Neusvleugels open en meteen kom je in een andere wereld: gemaaid gras ruikt naar zomervakantie, kruidige bermen, opvliegend stof, zon op de huid, een vleugje sigaret bij het passeren van een terras, lome namiddagen in een krakend campingstoeltje. Dat we daar nu al aan mogen ruiken, nog afgezien van de geuren die de lente nou eenmaal meeneemt: bloesems, zwoele avonden, koele volle maan en vocht uitdampende bomen.

We hebben weer een winter overleefd. En wat voor eentje. Meedogenloze stormen en eindeloze striemende regen, alsof ons houten woonhuisje en de toekomstige schuur (eind december nog zonder dak zodat honderden liters water het gebouw en de kelder in gutsten dus u snapt waar en hoe wij onze kerstdagen doorbrachten) mee moesten in een grote aardverschuiving van stenen en heel veel natte klei. Maar het is achter de rug. Dakpannen schitteren in de zon, beangstigend natte bouwputten zijn gedicht met tonnen steen uit een steengroeve verderop in de Dordogne. De vloeibare klei is veranderd in een ondoordringbare laag die nu al scheuren begint te krijgen en die kraakt als je er op stapt.
En dan moeten we nog beschrijven hoe de mens reageert op de plotseling aangebroken lente. Op de markt lijkt het alsof iedereen grappen maakt. ‘Avec ce temps….on rigole,’ beaamt Bruno de electricien na twee ferme bisous en de vraag of het goed met hem gaat. De groenteboervrouw, die drie weken geleden nog in een staat van bijna-bevriezingsdood met Italiaans pathos uitriep ‘Je suis con-ge-laaa-ta!’ wentelt zich nu in de ochtendzon en gromt van ‘ahh, dat is beter.’ De biologische groenteman een kraampje verderop heeft ineens alle tijd om te vertellen dat hij eigenlijk boekhouder is, in Parijs en Lyon heeft gewoond en vond dat hij nu het roer maar eens om moest gooien en in het Zuidwesten een landje heeft gekocht waar hij zijn mini-preitjes, -uitjes, -pompoenetjes en –spinazieblaadjes kweekt die tien keer zoveel smaak hebben als wat je elders haalt.
Voordat ik het vergeet: laat gewassen en uitgelekte spinazie heel even slinken, giet af en snij fijn. Leg in een platte schaal en sprenkel er een mooie olijfolie overheen. Beetje zout uit de molen erover en er Grana Pandano of Parmiggiano overheen raspen.  
Kortom, de hele regio is in uitgelaten stemming. En wat te denken van de natuur. Het lijkt een computerpiepje maar het is een vroedmeesterpadje dat onder de wand van de blokhut amechtig om zijn vrouwtje zit te roepen. Als hij geluk heeft, hoor je een piep terug, op een andere toonhoogte. Dat de dakdekkers gaten in de betonstenen van de schuur-in-aanbouw hebben geboord voor hun steiger, was mooi voor het mezenpaar dat nu in één van de holle stenen nestelt. En even de nacht in om de garagedeuren te sluiten wordt het avontuur van de maand. In het stikkedonker, vlakbij, ineens het keihard schorre blaffen van een ree, met daarna een onzichtbaar kataklop-kataklop van fijne hoefjes.
You may say I’m a dreamer
Maar het is wel Paradise hier.